PERSBERICHT Artikel RunderRadar - overzicht praktijkgevallen

Drongen, 11 juli 2016

RunderRadar brengt verslag uit over een aantal interessante praktijkgevallen

Begin januari 2015 hebben de dierenartsen van Veepeiler Rund (DGZ) en de kliniek Inwendige Ziekten van de Grote Huisdieren (Universiteit Gent) de handen in elkaar geslagen voor de diagnostische ondersteuning bij rundvee. Het resultaat is een gespecialiseerd, multidisciplinair team dat toegang heeft tot goed uitgeruste laboratoria, een autopsiedienst en een kliniek waar levende dieren met alle beschikbare technieken onderzocht kunnen worden. Bedrijven met hardnekkige problemen op het vlak van diergezondheid kunnen via hun dierenarts een beroep doen op dit team. In de rubriek RunderRadar brengt het team verslag uit over de meest opmerkelijke gevallen. Markante casussen in de afgelopen periode waren een botulisme-uitbraak, een abortusprobleem, een geval van colistineresistentie en een casus van parafilariose die we in dit nieuwsbericht graag willen toelichten. Verder stellen de onderzoekers vast dat Mycoplasma bovis aan een opmars bezig is in Vlaanderen.

Botulisme-uitbraak met miltvuur als belangrijke differentiaaldiagnose

Op een gemengd melk- en vleesveebedrijf werd botulisme vermoed naar aanleiding van de subacute sterfte van een kalf en de aanwezigheid van verlammingsverschijnselen bij de twee overige kalveren in dezelfde box. Het drinkwater is hemelwater dat wordt opgevangen in een foliebassin. Het rantsoen van de melkkoeien bestond uit gras, maïs en perspulp dat via een TMR-rantsoen werd gegeven. Bij lijkschouwing op een kalf, werden enkel licht gestuwde dunne darmlussen met lokale bloedbijmenging vastgesteld. Twee dagen later waren twee melkkoeien acuut tot hyperacuut gestorven. De kadavers vertoonden bloedingen uit verschillende lichaamsopeningen (ogen, vagina en anus), die pas na sterfte werden opgemerkt.

Foto1 Bloeding ogen Foto2 Bloeding vagina

Foto 1: bloeding uit de ogen Foto 2: bloeding uit vagina

Gezien dit beeld compatibel is met miltvuur werd dit bedrijf verdacht van miltvuur. Wegens deze verdenking werden de kadavers niet geopend, maar werd mest en serum via cultuur onderzocht op Bacillus anthracis. Het resultaat van dit onderzoek bleek gelukkig negatief waardoor de verdenking kon opgeheven worden. Om alsnog een diagnose te kunnen stellen, werden extra stalen doorgestuurd voor botulisme-onderzoek (voeder, drinkwater en lever/mest van gestorven dieren). Na enkele negatieve resultaten werd in een meststaal van een acuut gestorven dier, het neurotoxine van Clostridium botulinum groep C/D teruggevonden alsook de C. botulinum-bacterie van de groep A/B/E. Deze resultaten zijn indicatief voor een toxico-infectie met botulisme waarbij er blootstelling geweest is met verschillende types. Hoe je botulisme best preventief aanpakt, kan je nalezen op de website van DGZ (http://www.dgz.be/ziekte/botulisme).

Abortus en doodgeboorte met verschillende oorzaken

In de maand mei werd DGZ gecontacteerd naar aanleiding van een abortusprobleem op een rundveebedrijf. Naast een achttal abortussen, die voornamelijk tijdens het laatste trimester van de dracht hadden plaatsgevonden, waren er ook enkele vroeggeboortes. Via het abortusprotocol kwam geen duidelijk bedrijfsprobleem naar voor.

Wel was er bij twee foeti een beeld van incidentiële bacteriologische abortus: één foetus met een isolatie van Bacillus licheniformis en één foetus met isolatie van Escherichia coli in reincultuur uit long en lebmaag. B. licheniformis kan vooral in de late dracht, meestal van december tot juni, abortus veroorzaken. Deze kiem komt overal in de omgeving voor maar vooral in beschimmeld voer en strooisel. Graskuilen met schimmelgroei vormen een belangrijk risico. Het terugvinden van E. coli bij een abortus kan eventueel wijzen op onvoldoende hygiëne of afweer.

Bij een volgende abortus waren er bij het onderzoek duidelijke streepbloedingen te zien op het myocard en een uitgesproken marmering van de achterhandspieren. Deze letsels worden de laatste maanden vaak in de autopsiezaal opgemerkt en zijn indicatief voor een seleniumgebrek bij de koeien. Een tekort aan selenium veroorzaakt een daling in de afweer waardoor de koeien gevoeliger worden voor een bacteriële abortus die typisch voorvalt in het laatste trimester van de dracht. Uit serologisch onderzoek bleek dat de koeien inderdaad veel te lage waarden hadden voor selenium.

Tekorten kunnen aangevuld worden door de hele kudde gedurende zes weken dagelijks een supplement van selenium te geven (7 mg per koe en 5 mg per vaars). Door eerst heel de kudde te supplementeren, worden abortussen door gedaalde afweer in een vroeger drachtstadium voorkomen. Om tekorten aan te vullen is het nodig om (het duurdere) organisch selenium te gebruiken. Op langere termijn wordt aanbevolen om in de laatste twee maanden van de dracht dagelijks een supplement van organisch selenium te geven via het rantsoen (5 mg per koe en 3 mg per vaars). Op deze manier worden zowel de koe als het kalf extra voorzien van selenium. De rest van het jaar daalt de dagelijkse dosis naar 3 mg per koe en 2 mg per vaars en kan anorganisch selenium gebruikt worden.

Foto3 Streepbloeding hart Foto4 Marmering spieren

Foto 3: streepbloedingen op het hart Foto 4: gemarmerde spieren achterhand

Mycoplasma bovis: een opkomend probleem in Vlaanderen!

Mycoplasma bovis is een bacterie met potentieel grote impact op een getroffen bedrijf. Naast pneumonie bij jonge dieren en mastitis bij volwassen koeien, kan mycoplasmose zich ook uiten op andere manieren zoals otitis (oorontsteking met bijbehorende scheve kopstand), artritis (gewrichtsontsteking), keratoconjunctivitis (oogontstekingen) en zelfs infecties en seromavorming na keizersnede.

Vanuit het buitenland kwamen reeds meldingen over de toegenomen aanwezigheid van M. bovis op bedrijven en nu blijkt deze kiem ook in Vlaanderen op te rukken. Waar deze kiem in 2009 slechts op 1,5% van de geteste bedrijven aangetoond werd in tankmelk (Passchyn, 2012), bleek eerder dit jaar uit een Veepeiler-onderzoekssamenwerking van DGZ, MCC en de dienst Inwendige Ziekten van de faculteit Diergeneeskunde dat maar liefst 7% van een willekeurige tankmelkscreening van 100 bedrijven positief was op M. bovis.

Ook op basis van de griepbarometer, een ander Veepeilerproject waarbij een “kalvergriepmonitoring” wordt uitgevoerd over de tijd heen, kan een hogere prevalentie vermoed worden dan voordien werd aangenomen. Maar liefst 37,1% van alle longspoelingen, ingezonden voor bepaling van het oorzakelijke pathogeen bij kalvergriep, bleek tussen december 2015 en juni 2016 positief te testen voor M. bovis. Meer info over de griepbarometer vind je op de website van DGZ (www.dgz.be/project/griepbarometer).

Insleep in een bedrijf gebeurt meestal via aankoop, hoewel ook bedrijfsbezoekers een mogelijke bron van infectie kunnen zijn. Binnen het bedrijf gebeurt overdracht tussen koeien meestal via neus-neus-contact of het melkgestel. Besmetting van kalveren gebeurt voornamelijk via het opnemen van geïnfecteerde melk en door onderling contact. Omdat er geen vaccin op de markt is, dient men in te zetten op andere preventieve maatregelen om de infectie te voorkomen. Insleep voorkomen blijft het belangrijkste focuspunt. Op getroffen bedrijven is langdurige individuele huisvesting (6-8 weken) van kalveren en het geven van kunstmelk in plaats van koemelk belangrijk. Biest wordt namelijk ook als een mogelijke besmettingsbron beschouwd.

Foto5 Kalf scheve kopstand

Foto 5: kalf met scheve kopstand

Colistineresistentie op een Vlaams rundveebedrijf

Een Belgisch witblauw vleesveebedrijf in het Meetjesland werd in de winter en het voorjaar geconfronteerd met kalversterfte in de eerste drie levensdagen. De mortaliteit bij kalveren jonger dan een week liep op tot boven de 10%. De kalveren werden normaal geboren maar vertoonden snel symptomen van slecht drinken, hoest, dyspnee, gevolgd door lethargie en snelle sterfte.

Verschillende kalveren werden gelijkschouwd, telkens met een diffuus beeld van interstitiële pneumonie gepaard met enteritis. Telkens werd in de darmen zowel als in de longen een multiresistente E. coli aangetroffen. Na typering werd het type F17 (K99) teruggevonden.

Opvallend was dat in het antibiogram deze E. coli zowat aan ieder courant ingezet antibioticum resistent bleek te zijn (ampicilline, tetracycline, doxycycline, gentamicine, neomycine, sulfa- trimethoprim, florfenicol, flumequine, marboflacine en enrofloxacine). Opvallender nog was daarnaast de colistineresitentie. Colistineresistentie is minder gekend, maar begint hier en daar in Vlaanderen op te duiken.

Op de bedrijven die met een dergelijke problematiek te maken krijgen, is het snel stellen van een juiste diagnose via cultuur en antibiogram na gerichte staalnames cruciaal om zo snel mogelijk een plan van aanpak te kunnen opstellen. In dat plan van aanpak moet vooral ingezet worden op preventiestrategieën, bestaande uit vaccinatie van drachtige koeien en vaarzen, het optimaliseren van het biestbeleid, aandacht voor hygiëne en de individuele huisvesting en isolatie van zieke dieren.

Parafilariose in Vlaanderen

In de maand april was er een veehouder ten zuiden van Antwerpen die meldde dat twee van zijn koeien tijdens de afmestfase op verschillende plaatsen ‘precies bloed zweten’. Er is geen sprake van aankopen op dat bedrijf. Er komt wel een Waalse firma insemineren. Vorig jaar waren er ook al vier gelijkaardige gevallen op dat bedrijf, telkens in dezelfde periode en bij dieren in de afmestfase. De veehouder meldde dat ook verschillende naburige bedrijven af en toe last hadden van dezelfde symptomen.

Foto6 Bloedstreep huid

Foto 6: Rund met bloedstrepen in de huid

Op basis van de klinische symptomen kan men veronderstellen dat deze letsels veroorzaakt worden door Parafilaria bovicola, een worminfectie waarbij de vrouwelijke wormen subcutaan via een kleine laesie de huid perforeren en er een typische bloedstreep te zien is. In dit exsudaat bevinden zich de eitjes met daarin de microfilaria-larven (L1). Als tussengastheer fungeert een vlieg (Musca autumnalis). Deze wordt besmet met L1-larven wanneer ze zich voedt op het exsudaat van geïnfecteerde runderen. De ontwikkeling tot L3-larve vindt plaats in de vlieg, waarna deze op haar beurt nieuwe runderen zal infecteren. Overbrenging van het infectieuze stadium, de L3-larven, vindt enkel via vrouwelijke vliegen plaats. Het vee wordt voornamelijk besmet tijdens het weideseizoen, van de lente tot de zomer. Na een prepatente periode van 7 à 10 maanden is de L3-larve een volwassen P. bovicola-worm geworden die de huid perforeert. Het dier ondervindt hiervan weinig last. Parafilariose zorgt echter voornamelijk voor economische schade, die bestaat uit afkeuring van het vlees. Een typische ‘metaal’verkleuring van het karkas wordt daarbij vermeld, hoewel dit niet op alle karkassen met parafilariose wordt vastgesteld.

Ter bevestiging kan men proberen om de eieren en de L1 microscopisch aan te tonen in het exsudaat (lage gevoeligheid) of eventueel ook volwassen wormen en/of eosinofielen in een biopt. Gezien de hoge waarschijnlijkheid op basis van de klinische symptomen is een biopt meestal niet nodig.

De getroffen dieren worden best behandeld (inspuiting en geen pour-on) met ivermectine (200 mcg/kg), en dit ten minste 70 tot 90 dagen alvorens geslacht te worden, opdat de letsels voldoende geheeld zouden zijn. Voor de preventie is vliegenbestrijding en behandeling van aangekochte dieren belangrijk.

In België werd het eerste geval van parafilariose in 2008 vastgesteld in de buurt van Luik en een jaar later (2009) een tweede in Brugge. Toen ging het telkens om aangekochte dieren uit Frankrijk.

P. bovicola is op dit moment enkel endemisch in een deel van Wallonië. In Vlaanderen zijn er waarschijnlijk ook hotspots, zoals de omgeving van het Antwerpse bedrijf uit deze casus, waar regelmatig geïnfecteerde dieren gezien worden, zonder voorgeschiedenis van aankoop. Daarnaast wordt parafilariose ook in vele andere regio’s van Vlaanderen gemeld waardoor het endemisch karakter van de aandoening in Vlaanderen stilaan in zicht komt.

Jozefien Callens, Koen De Bleecker, Piet Deprez, Linde Gille, Karlijn Janssens, Bart Pardon, Bonnie Valgaeren, Evelyne Van de Wouwer, Laura Van Driessche, Hans Van Loo Dierenartsen Gezondheidszorg Herkauwers, Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ), Vakgroep Inwendige ziekten van de grote huisdieren en vakgroep Verloskunde, voortplanting en bedrijfsdiergeneeskunde, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent

Karlien Supre – Melkcontrolecentrum Vlaanderen (MCC)

Met speciale dank aan Edwin Claerebout – Vakgroep Virologie, Parasitologie en Immunologie, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent

BLOG COMMENTS POWERED BY DISQUS

Nieuwsbrieven